In 1977 werd het derde visserijbeschermingsvaartuig met de traditionele naam MEERKATZE in dienst gesteld. Haar voorgangers waren een onvoltooide marinetank uit de Tweede Wereldoorlog, die na ombouw bij de Mützelfeldtwerft in Cuxhaven in 1950 voor het eerst de naam MEERKATZE kreeg, en een tweede eenheid die als visserijonderzoeksvaartuig ANTON DOHRN voer. Na een korte aanpassingsperiode werd dit schip in 1971 opnieuw in de vaart gebracht als MEERKATZE II – een naam die officieel niet op de scheepsromp werd aangebracht.
In deze jaren waren de taken van de oorspronkelijk als beschermingsvaartuigen varende schepen aanzienlijk uitgebreid, tegen de tijd dat MEERKATZE III haar dienst opnam. Veel visgronden werden ontoegankelijk voor hoogzeevisserij, en ter bescherming tegen overbevissing werd een reeks verordeningen ingevoerd.
De MEERKATZE II werd beheerd door de Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung, gevestigd in Hamburg. Ze was het hele jaar door in bedrijf en werd, in het kader van internationale overeenkomsten, ook buiten de nationale visserijzones ingezet voor visserijcontrole.
De inspecteurs van de visserijbeschermingsvaartuigen controleerden de naleving van de EU-voorschriften. Dit omvatte onder andere technische maatregelen ter bescherming van jonge zeedieren, zoals de voorgeschreven minimumafmetingen voor vis en de mazen van de vangnetten. Ook het gebruik van netaccessoires werd geïnspecteerd, zoals de hievsteerte, de slijtagebescherming en de torquetten. Daarnaast werden alle vangstpapieren en de geldigheid van de vangstlicentie gecontroleerd.
De MEERKATZE II diende tegelijkertijd als ondersteuningsschip voor de hoogzeevisserij en was, dankzij haar uitgebreide werkplaatsuitrusting, in staat om technische assistentie te bieden op uiteenlopende gebieden.
Bovendien was het schip uitgerust met twee operatiekamers, een intensive care-unit, een apotheek met laboratorium, en een ziekenboeg, waardoor het ook humanitaire hulp kon verlenen.
Afmetingen:
Lengte model 30,8 cm









